Behandeling van seksuele delinquenten is geen zaak van Justitie alleen
Rechter Troch uit Dendermonde is een man uit een stuk, die recht door zee gaat en ongezouten zijn mening geeft. Niet zo maar, wel om scheefgroei aan te klagen en tot een betere werking van ons rechtssysteem bij te dragen.
Enkele dagen geleden nog – en via diverse mediakanalen – maakte hij zich boos over de gang van zaken in Justitie. Aanleiding was de terugval van een seksuele delinquent kort na zijn vrijstelling uit de gevangenis en na het uitzitten van vijf jaar voor hetzelfde misdrijf verkrachting – een straf die hem door rechter Troch was opgelegd. Troch neemt het op voor de man en klaagt – niet geheel onterecht – het justitiële systeem aan. De minister van Justitie – reeds fel geteisterd in de media voor allerlei ware of vermeende schandalen binnen de rechterlijke orde – wordt dus nogmaals op eigen terrein aangepakt. De uitvoering van straffen en maatregelen loopt mank: er zijn niet alleen gaten in het veiligheidssysteem van de gevangenissen, er zou ook ruim onvoldoende geïnvesteerd worden in de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik. Troch heeft een punt, maar vergist zich in doelwit.
Het is de taak van Justitie om de (vrijheidsberovende of -beperkende) straf of (ambulante of residentiële) justitiële maatregel, die aan daders van seksueel misbruik wordt opgelegd, op een menswaardige wijze vorm te geven en te omkaderen. Meer bepaald spelen de psychosociale diensten in de gevangenissen en de justitieassistenten buiten de muren hierbij een belangrijke rol. De begeleiding of behandeling van daders van seksueel misbruik is daarentegen een bevoegdheid van de gemeenschappen (Gezondheid en Welzijn). Daarover werden in 1998 – na lange onderhandelingen tijdens de posttraumatische Dutroux-periode – samenwerkingsakkoorden afgesloten tussen Justitie en de gemeenschappen. Ere aan wie ere toekomt: het was precies de huidige minister van Justitie die daarvoor zorgde.
Waar knelt nu het schoentje? De basisprincipes van het samenwerkingsakkoord daarover tussen beide niveaus blijven absoluut overeind, zo bleek nog tijdens een eerste evaluatiedag na tien jaar, georganiseerd in juni 2008 door de steuncentra die door Justitie worden gesubsidieerd. De grote afwezigen waren evenwel de gemeenschappen. Niet uit onwil maar omdat ze door de steuncentra (Justitie dus) niet betrokken werden, op zich wel tekenend voor een mank lopende dialoog tussen de partners! Dit verklaart ook de eenzijdigheid en het al te formele karakter van de toen uitgevoerde evaluatie. Overdoen dus, maar deze keer grondig en met gelijkwaardige participatie van alle betrokkenen op alle beleid – én praktijkniveaus!
De belangrijkste lacunes zijn intussen wel bekend, enkel de meest flagrante kan ik hier kort bespreken. Meerdere doelgroepen vallen door de mazen van het net: zo is er quasi geen behandelingsaanbod voor minderjarige daders – wat nochtans zou toelaten in een vroege fase van probleemwording in te grijpen. Ook voor allochtone daders, minderbegaafden en vrouwelijke daders is een gepaste begeleiding/behandeling soms ver te zoeken. Bepaalde daders krijgen geen enkele kans in het behandelingscircuit: zij die de feiten ontkennen en daarom als niet behandelbaar worden beschouwd, en daders die erg gewelddadige feiten pleegden… Voor hen rest vaak enkel een uitzichtloze vrijheidsberoving.
De behandeling of probleemgerichte begeleiding wordt doorgaans ook erg laat opgestart, met name pas na de vervroegde invrijheidstelling. De gevangenis is gericht op de loutere uitvoering van straffen en maatregelen: zij biedt dan ook geen gepaste behandelingscontext. Hoewel er in bepaalde inrichtingen wel degelijk pretherapeutisch wordt gewerkt , is de gevangenistijd vanuit behandelingsoogpunt meestal verloren tijd… een lacune die evenwel niet Justitie maar wel Gezondheid en Welzijn zou moeten invullen! Ook het ondermaatse aanbod voor residentiële behandeling buiten de gevangenis – wat tot nu toe buiten het bestek van de samenwerkingsakkoorden valt – behoort tot de verantwoordelijkheid van de Gemeenschappen. Justitie – en meer bepaald de rechterlijke orde – is er wel mee verantwoordelijk voor dat een groeiend aantal daders van seksueel misbruik gewoonweg niet aan behandeling toekomt. De verstrenging van het beleid inzake vervroegde vrijstelling – bovenop de reeds vermelde strengere bestraffing – heeft er immers toe geleid dat gedetineerden steeds vaker bedanken voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Liever een jaartje langer zitten tot het definitieve strafeinde en verder tenminste met rust gelaten worden, dan de zogenaamde vrijheid met tal van voorwaarden, controles en behandelingsverplichtingen.
Zijn de justitieassistenten overbelast en moet er meer geld gaan naar de justitiehuizen, zoals rechter Troch zegt? Misschien wel, misschien niet, en zeer zeker zijn er andere knelpunten dan capaciteitsproblemen aan de orde. Feit is dat de lacunes inzake behandeling van daders van seksueel misbruik de justitiehuizen niet kan worden aangerekend. Maar een onafhankelijke en wetenschappelijk gefundeerde evaluatie en bijsturing van hun werking is ruim tien jaar na hun ontstaan, zeker aan de orde. We hopen ten stelligste dat dit geen tien jaar op zich zal laten wachten.
Kristine Kloeck is algemeen directeur van Child Focus en was vroeger kabinetsadviseur van de ministers van Justitie en Welzijn.
Bron: De Standaard.
Welkom
مرحبا 